NIET DOEN!

Home >> NIET DOEN!
NIET DOEN
“Niet doen”, “niet aankomen”, “niet met je vingertjes in het stopcontact”.
Het is onvermijdelijk dat we regelmatig “niet doen” roepen, ingrijpen en ongelukken voorkomen. Voor een kind op ontdekkingstocht voelt zo’n “niet” als een ontmoediging, een frustratie. Al te veel “nieten” zijn daarom ook niet goed.
Laten we het vandaag eens anders doen.We kijken mee over de schouder van mamma Emma, die met haar zoontje Mart en dochtertje Sophie boodschappen gaat doen
- je jasje maar pakken, Mart.
- Gaan we naar de speeltuin toe, nu?
- Nee, we gaan nu niet naar de speeltuin, we gaan eerst naar de supermarkt.
- Ja, we gaan eerst boodschappen doen en dán gaan we naar de speeltuin.
Ondertussen probeer ik de kleine Sophietje haar jasje aan te trekken. Het vlot niet erg, want ze zit het liefst achterstevoren.
- Niet draaien, Fietje.
Fietje, kijk eens naar mamma, kijk eens heel goed naar mamma. Waar is mamma’s neus? (afleiding)
Yes! Een vooruitgestoken arm waar ik zo een mouw aan kan schuiven!
- En waar is mamma’s mond?
- En de andere mouw. Klaar.
Mart heeft zijn jas aan, drentelt ongeduldig heen en weer en begint aan mijn trui te trekken.
- Niet doen, jochie, ik ben even bezig.
- Kun jij de buggy naar de voordeur rijden, Mart? (afleiding)
- Ja, makkie. Ik kan de buggy wel helemaal naar de winkel rijden, hoor, of naar de speeltuin, of helemaal naar … over de hele wereld rijden, mam.
- Zo, da’s ver. Dat is wel een paar jaartjes lopen, knul.
- Dankjewel voor het pakken van de buggy, mannetje. Kom, we gaan.
- Mamma au, mamma, au, piept Sophie vanuit de buggy.
- Hé meissie, je beentje zit vast. Een, twee, drie, klaar.
- Niet gaan staan in de buggy, Fietje.
- Fietje, kijk eens daar, een hondje. (afleiding, en ha, het werkt, ze gaat weer zitten en kijkt naar het hondje. Nu haar aandacht vasthouden).
- Is het een grote hond of een klein hondje?
- Goot.
- Nee hoor, klein, hè mamma?
- Goot.
- Hé, geen ruzie maken, kindjes.
- Kleine kindjes vinden hem groot en grote jongens vinden hem klein. Gek, hè?
Er verschijnt een denkfrons tussen Mart’s oogjes.
- Heeft het hondje een staart, Fietje?
- Ja, taat.
- Zeker omdat ik groter ben dan het hondje en Fietje
- Zie je dat, Fietje, hij zwaait met zijn staart.
- Maham!! zegt Mart dringend.
- Niet zo ongeduldig, Mart, je zag toch dat ik even met Sophietje bezig was?
- Ja, heel goed, jochie. Omdat jij groter bent, lijkt het hondje kleiner. Jij snapt het.
Ondertussen zit Fietje naar het hondje te zwaaien en naderen we de supermarkt. Daar duwt Mart een kinderkarretje en ik de buggy en tover ik voor Fietje een van haar favoriete speeltjes tevoorschijn (afleiding).
Ik pak wat boodschappen en doe ze in Mart’s karretje.
- Niet aankomen, Mart.
 Kijken met je oogjes, jongen. En waar blijf je nou?, vraag ik terwijl ik snel doorloop, jij zou de kar toch duwen? Ik pak nog een pak yoghurt, dan gaan we betalen, en dan gaan we…?
- Naar de speeltuin!!! Klimmen!!!
- Ja, jij klimmen en Fietje schommelen.
- En jij, mam?
Ik? Ik ga tevreden zitten vaststellen dat het dagelijkse bezoek aan de supermarkt achter de rug is. Zonder “nieten”. En dat ik me daar heel goed bij voel, en de kleintjes ook.

Reactie toevoegen